You are here

Wat is licht?

- Lees de titel van deze paragraaf. Ken je het antwoord?

- Lees heel de paragraaf door. Dat is nuttig omdat je daarmee een idee krijgt waar deze informatie over gaat, en wat er van je verwacht wordt. Trek het je (nog) niet aan als je niet alles meteen berijpt. 

- Lees de eerste paragraaf volledig en grondig door tot en met de afbeelding 5.5.2.

- Vind je wat licht is? 

Nee, het staat er niet in. Er staat heel wat over licht, en dat is allemaal wààr, maar het boek zegt niet wat licht is. Als je het belangrijk vindt om te weten wat licht precies is, dan moet je het op een andere plaats zoeken. 

Het golfgedrag van licht is heel belangrijk, en daarover vind je veel informatie in deze paragraaf. Licht wordt vergeleken met een ander golfverschijsel, geluid. Als je de leerinhouden afwerkt in de volgorde van je boek, dan weet je al veel over geluidsgolven (paragraaf 5.4). 

De vergelijking tussen de twee golfverschijnselen staat in een tekst. Een vergelijking kan je echter best overzichtelijk maken in een tabel. Bij een vergelijking ga je op zoek naar gelijkenissen en verschillen tussen de twee verschijnselen. 

Maak een een vergelijking tussen licht en geluid, gebruik de informatie uit de tekst.

 

- Waar schrijf je zo'n vergelijking?   

 

Je kan deze lege tabel gebruiken als het moeilijk vindt om de informatie zelf te ordenen.  

  licht = of ≠ geluid
Wat is het?      
Voortbeweging?      
Voortbewegingsrichting?      
Wat gebeurt er als de golf ergens op botst?

 

 

 

Middenstof nodig?      
Voortbewegingsnelheid?       
   ................... ............................   ..................................................................................

Wat er gebeurt als de geluidsgolf ergens op botst, staat niet expliciet in de tekst. Als je de paragraaf over geluid nog niet ingestudeerd hebt, is dat vakje bij jou dus nog leeg. Dat is natuurlijk in orde.

Als je het stukje over geluid al wel hebt gestudeerd, kan je best de vergelijking volledig opschrijven. Zo orden je de informatie in je hoofd. De antwoorden die in de tabel staan bij de vraag 'Wat gebeurt er als de golf ergens op botst?' gelden algemeen voor golven. Als je dat weet, dan hoef je niet alle eigenschappen van licht en geluid te studeren, dan studeer je de eigenschappen van golven, en leer je dat licht en geluid golfverschijnselen zijn. Dan is er meer structuur in je hoofd, en kan je de informatie gemakkelijker oproepen. 

Het beeld komt uit de collectie van Eadweard Muybridge, een fotograaf op het einde van de 19de eeuw. Je vindt meer informatie over de fotograaf en zijn foto's op deze twee sites: https://nl.wikipedia.org/wiki/Eadweard_Muybridge  en  http://www.muybridge.org/ 

 

 

Hieronder zie je de ingevulde tabel, je kan nakijken of je dezelfde antwoorden vond: 

  licht = of ≠ geluid
Wat is het? vorm van energie = vorm van energie
Voortbeweging? als een golf als een golf 
Voortbewegingsrichting? rechtdoor rechtdoor
Wat gebeurt er als de golf ergens op botst?

verschillende mogelijkheden:

- absorptie

- weerkaatsen

- doorheen gaan, de richting kan veranderen

=

verschillende mogelijkheden:

- absorptie

- weerkaatsen

- doorheen gaan, de richting kan veranderen

Middenstof nodig? nee, kan zich voortbewegen in vacuüm ≠  ja, middenstof nodig
Voortbewegingsnelheid?  snel, 300 000 km per seconde in vacuüm 343 m/s in lucht
       

Je tabel is ingevuld.

Misschien had je alle antwoorden zelf gevonden, misschien niet. Begrijp je alles wat er in de tabel staat? 

Indien dat niet zo is, dan staat het intussen ... 

 

Wat betekent het als licht weerkaatst? 

Wat betekent het als een voorwerp licht absorbeert? 

Wat betekent het als licht ergens door gaat? 

Deze drie begrippen moet je kennen. Als je denkt dat je ze nu nog niet zonder hulp kan omschrijven, dan oefen je dat even .

Dat kan op twee manieren: je schrijft de woorden op en schrijft daarna de omschrijving ervan erbij. Je kan ook de omschrijving opschrijven, en het begrip zoeken. Je kan nu ook een kladblad klaarmaken om later de begrippen te oefenen. Een tabel is daar heel nuttig bij, zo:

Je vult de eerste kolom in terwijl je studeert. Als je dat wil vul je de eerste omschijving ook meteen in, dat kies je zelf. Steek het blad tussen je boek of tussen je geschreven cursus.

Als je een behoorlijk stuk in je cursus geleerd hebt, of als je de volgende keer je leerstof weer in de hand neemt, dan vul je eerst deze tabel in. Als je de omschrijving hebt ingevuld, dan plooi je de eerste kolom met begrippen weg en vult in de derde kolom de begrippen opnieuw in. Je blijft kolommen wegplooien tot je alle begrippen goed kent.

Als je een aantal begrippen al enkele keren foutloos opschreef, dan hoef je die niet elke keer mee op te schrijven. Oefen dan alleen de laatste begrippen waar je moeite mee hebt. Oefen wat je nog niet kan, steek geen tijd in wat je al wel kan. 

begrippen omschrijving begrippen omschrijving begrippen
licht weerkaatsen        
licht absorberen        
...        
...        
...        
...        
...        
...        
...        

 

Nu lees je de tweede paragraaf op pagina 290 opnieuw, je hebt er al wat informatie uitgehaald voor je tabel. Er staat ook nieuwe informatie in: de drie nieuwe begrippen: doorzichtig, doorschijnend en ondoorschijnend

Begrijp je goed wat ze betekenen? 

Kan je ze ordenen?

Een voorwerp met deze eigenschap laat bijna geen licht door:
Een voorwerp met deze eigenschap laat een deel van het licht door:
Een voorwerp met deze eigenschap laat bijna alle licht door: 
  .........................................................................................................................................

Er staat nog een begrip in de tekst: schaduw.

Iedereen weet goed wat een schaduw is, dus daar lees je misschien snel overheen. Te snel? 

Formuleer voor jezelf, zoals je dat zou doen voor leerlingen in de lagere school, wat een schaduw is. Dit schrijf je best op je kladblad. 

 

Vergelijk jouw antwoord met dat uit de doos.

Natuurlijk moet je antwoord niet letterlijk hetzelfde zijn, maar alle aspecten van het antwoord moeten er wel in staan. 

Kijk na of dat zo is, en probeer opnieuw dit antwoord te formuleren (op je kladblad) tot je een antwoord kan schrijven dat volledig is. 

Je bent nu klaar voor de laatste paragraaf op pagina 290. Lees die helemaal. 

 

Welke twee nieuwe begrippen staan hierin? 

Begrijp je wat het verschil is tussen deze twee? Kijk naar afbeelding 5.5.2 om je te helpen bij de formulering van het verschil tussen beide. 

Geeft elke lichtbron een kernschaduw en een bijschaduw?

Een puntbron is een heel smalle lichtbron. Zo'n bron geeft alleen een kernschaduw, geen bijschaduw. Een gewone lichtbron geeft meestal beide schaduwen. 

Meestal?

Ja, maar als het een sterke bron is, en een voorwerp wordt op een grote afstand gehouden, dan lijkt de bron -door de afstand- eerder een puntbron. De bijschaduw is dan verwaarloosbaar. 

Denk maar eens aan de zon: dat is een groot lichaam, maar door de immense afstand kunnen we zeggen dat de het een puntbron is. 

Hier kan je een heel verhelderend beeld bekijken, P. Feys uit de Sint-Jorisschool in Menen zette het in een presentatie die je kan vinden op http://slideplayer.nl/slide/2198160/

Dit beeld helpt je ook om de rechtse helft van Afbeelding 5.5.2 op pagina 290 beter te begrijpen. 

 

 

Bijna klaar, nu lees je de Doe-opdracht over een schimmenspel bovenaan op pagina 291. De meeste vragen kan je waarschijnlijk beantwoorden zonder de opstelling te maken. 

Doe maar, doe dat op je kladblad. 

Nu moet je je antwoorden testen. Misschien is het ongemakkelijk om deze opdracht nu uit te voeren. 

Dat kan, je hebt er best wat materiaal voor nodig om dit te doen. Je moet ook een tweede persoon vinden die met je meewerkt. 

Toch moet je proberen om de taken op één of andere manier uit te voeren. 

Als je op school bent kan je nu in je agenda schrijven waar en wanneer je dit gaat doen, je kan ook afspreken met klasgenoten die hier nu ook zijn. 

Als je thuis bent of op een plaats waar je kan proberen, doe je het best meteen. Misschien hangt er in de hall of gang een licht dat als puntbron kan dienen. Je wil een kleine lichtbron.

Als lap kan je een laken nemen zoals in de cursus staat, maar een keukenhanddoek of een effen zijden sjaaltje kan ook dienst doen. Misschien kan je in de badkamer met het douchegordijn aan de slag. Bedenk een manier op je doek vast te maken voor de bron. Wasknijper? Dun garen en een naald? Een huisgenoot? Los het op, je bent binnenkort leerkracht in de lagere school, die moet dagelijks oplossingen vinden voor problemen die de kinderen tegenkomen. 

Neem nu je boek met de vragenlijst mee naar je opstelling, en doorloop de lijst. Voorwerpen vinden kan of mag geen probleem zijn. Ondoorzichtige voorwerpen zijn het eenvoudigst. Een doorschijnend voorwerp vind je vast ook: het dekseltje of het potje van bij de slager, een dun lapje stof, een flesje van drinkwater, een plastic zakje. Denk voor doorzichtige voorwerpen aan een bril of een drinkglas.

...

Je hebt nu je experiment uitgevoerd en je veronderstelling getest. Dat is knap, dat is een wetenschappelijke werkwijze zoals je die in de klas met je leerlingen ook zal gebruiken.

Klopte je veronderstelling? Heb je dingen gezien die je niet had verwacht? Kan je de laatste vraag uit de opdracht nu verklaren? Bespreek je resultaten met je klasgenoten. 

Je kan ook hulp vinden in het schimmenspel van deze video. 

 

Hier kan je verder of terug naar de andere paragrafen:

5.5.1   Lichtbronnen

5.5.3   Weerkaatsing en absorptie van licht

5.5.4   Breking van licht

5.5.5   De kleuren van de regenboog

5.5.6   Kleuren zien

 

 

De kikker brengt je terug naar de startpagina over licht en kleur: