U bent hier

Goede voorbeelden

Als je een tekst schrijft waar anderen iets uit moeten leren, dan helpt het als je goede voorbeelden bij de informatie voegt. Een voorbeeld zegt vaak meer dan een uitleg. Om dit te illustreren vind je hier opnieuw de tekst die bij het eerste punt stond, maar nu is die aangevuld met voorbeelden. Je ondervindt meteen dat dit de tekst veel meer toegankelijk maakt. 

 

1 - Zijn de zinnen niet te lang?

Je weet natuurlijk dat een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een leesteken. Zorg ook voor voldoende leestekens in de zinnen die niet kort zijn: leestekens helpen de lezer om aparte delen in een zin te herkennen. 

Het is duidelijk dat alle zinnen die je schrijft correcte zinnen moeten zijn! Elke zin heeft een onderwerp en een werkwoord, zinnen beginnen niet met 'en' of 'maar'. Dit punt heeft verder geen uitleg nodig, korte zinnen lezen vlotter dan lange. Maak ze ook niet te kort: wissel af en schrijf nooit echt lange zinnen. 

Voorbeeld: Bekijk de korte inleiding hierboven. De eerste zin is gemiddeld, de tweede is kort. De derde zin is weer gemiddeld en de vierde opnieuw kort. Het patroon: gemiddeld, kort, gemiddeld, kort is eerder toevallig. De lengte van de zinnen moet wel afwisselen, maar het is niet nodig dat korte en langere zinnen mekaar in een vast patroon afwisselen. 

 

2 - Is het zinspatroon voldoende gevarieerd?

Je kan elke zin beginnen met het onderwerp en daarna de persoonsvorm, maar dan wordt je tekst saai. Maak de tekst levendiger door geregeld zinnen ook anders te formuleren. 

Voorbeeld: Bekijk opnieuw de korte inleiding voor punt 1. De tweede en de vierde zin hebben een traditionele structuur: onderwerp en persoonsvorm, daarna de rest van de zin. De andere twee andere zinnen hebben een andere structuur, hoewel het geen ingewikkelde constructies zijn. 

 

3 - Stemt de grammatica overeen met de betekenis?

Staat er wat je bedoelt? Jij weet zelf wat je wil schrijven, maar je lezer weet dat niet vooraf. Zorg er met goede zinnen voor dat er geen verwarring mogelijk is voor je lezer. Als je de zinnen kort genoeg maakt, is de kans groter dat je lezer leest wat jij bedoelt: zinnen met foute grammatica brengen lezers in verwarring.

Voorbeeld: Een advertentie voor fruitsap schrijft: 'de bes op z'n best'. Dat is grammaticaal fout: het woord 'bes' is vrouwelijk, en de juiste zin is 'De bes op haar best'. Je kan je ook voorstellen dat een fout verwijswoord in een langere zin de lezers verward achterlaat. 

 

4 - Hebben alle punten bij een opsomming dezelfde grammaticale vorm?

Een opsomming is een lijstje, je kan eens kijken naar de 9 punten in deze lijst. Al deze punten zijn als vraag aan jou geformuleerd, dat is allemaal dezelfde grammaticale vorm. Dit is een belangrijk punt als je meerkeuzevragen opstelt. De afleiders moeten aan strikte eisen voldoen, en dit is er één van. 

Je weet natuurlijk hoe een meerkeuzevraag eruit ziet, vind je dat voldoende als voorbeeld?

 

5 - Is je tekst actief geformuleerd (weinig passiefconstructies)?

Een tekst met actieve constructies leest veel vlotter dan dezelfde tekst die passief geschreven is. De controle hierop is heel gemakkelijk als je de tekst op een computer schrijft: doe een elektronische zoekactie met het woord 'word'.  'Word' is de stam van het werkwoord 'worden'. Zo vind je elke werkwoordsvorm van dit werkwoord met één handeling in de tekstverwerker. De zinnen waarin 'word' oplicht, kan je actief herschrijven. 

Voorbeeld:

Passief: De deur wordt door Jan gesloten. 

Actief: Jan sluit de deur.

De boodschap is in twee gevallen identiek, maar de informatie bereikt de lezer direct in de actieve constructie. In de passiefconstructie is dat minder het geval. Het voorbeeld is erg eenvoudig. Bij langere passiefzinnen moet de lezer meer moeite doen om de informatie uit een zin te halen dan bij langere actieve zinnen. Maak het je lezer niet nodeloos moeilijk, kies actief!

De test met een elektronische zoekfunctie, zie je ook in het voorbeeld: in de vorm 'wordt' lichten bij zo'n zoekactie de eerste vier letters op. Je vindt op die manier heel snel alle vormen van het werkwoord worden. Als je de tekst in de verleden tijd schreef, dan zoek je natuurlijk met 'werd'. 

 

6 - Gebruik je werkwoorden niet te vaak zelfstandig ?

Normaliseringen zijn werkwoorden die zelfstandig gebruikt worden, en ze verzwaren een tekst. Het helpt als je de zinnen herformuleert zodat je het werkwoord niet zelfstandig gebruikt. 

Voorbeeld: 'Het inzetten van computers bij de luchtverkeesregeling gebeurde in Frankrijk voor het eerst plaats in 1962.'

Verbeterde versie: Frankrijk zette in 1962 voor het eerst computers in bij de luchtverkeersregeling. 

Tweede voorbeeld: Het verzwijgen van de waarheid is te vermijden.

Verbeterde versie: Verzwijg de waarheid niet.

Het is nog beter om deze zin positief te formuleren, dan wordt de boodschap: 'Spreek de waarheid.'

 

7 - Staan lidwoorden en de zelfstandige naamwoorden die bij elkaar horen ook dicht genoeg bij elkaar (geen tangconstructies)?

Een tangconstructie is een constructie waarbij er een grote afstand is tussen delen die bij elkaar horen. 

Voorbeeld Verbeterde versie
De veertien uit het buitenland afkomstige, ter dood veroordeelde gevangenen gingen in hongerstaking. De veertien ter dood veroordeelde gevangenen gingen in hongerstaking, zij waren allemaal uit het buitenland afkomstig. 
Zijn moeder heeft hem vanochtend voordat hij vertrok, net als altijd, een kus gegeven.  Voordat hij vertrok heeft zijn moeder hem een kus gegeven. Ze doet dat altijd.
De in de zin bij elkaar horende woorden moeten dicht genoeg bij elkaar staan. De woorden die in de zin bij elkaar horen, moeten dicht genoeg bij elkaar staan. 

Je ziet dat de verbeterde versie vlotter leest dan de eerste. De tangconstructie is vervangen, dat kan door een bijzin of door een tweede zin. 

 

8 - Staan er niet te veel voorzetsels in een zin?

Een zin of tekst met veel voorzetsels leest minder vlot dan een tekst met weinig voorzetsels. 

Voorbeeld: Zoek maar eens, en stuur het maar eens in. 

 

9 - Vermijd je vage omschrijvingen?

Schrijf concreet en helder wat je bedoelt. Bij woorden als 'gebeuren, plaatsvinden, doen, maken, vormen, een rol spelen, ... is het niet altijd duidelijk wat de schrijver bedoelt. 

Voorbeeld: Zoek maar eens, en stuur het maar eens in. 

 

10 - Vermijd je gewichtige woorden?

Het liedje over 'Helder taalgebruik' maakt dit punt heel goed duidelijk! Er zijn veel goede vervangers voor woorden als 'betreffende', 'reeds', 'niettegenstaande', 'relevant', 'wat betreft', 'naar de leerlingen toe' , ... . Gebruik die vervangers, gewichtige taal creëert een afstand tussen jou en de lezer.

Mensen gebruiken ook woorden om hun boodschap meer kracht bij te zetten: 'belangrijk', 'onmisbaar', 'cruciaal', ... met gevolg dat het geheel minder indruk maakt. Wees dus zuinig met woorden die de tekst verzwaren. 

Voorbeeld: Dit voorbeeld staat bovenaan het vorige tabblad: in het lied 'Heerlijk helder' gebruikt van Het Groenewoud gewichtige taal in een liefdeslied. 

Zorg dat je bij dit alles steeds het taalniveau van je doelgroep in gedachten houdt: geschreven informatie voor jonge kinderen moet je eenvoudiger formuleren dan informatie voor oudere kinderen of voor ouders. Teksten voor ouders moet je ook duidelijk genoeg schrijven: het is mogelijk dat de meeste ouders van je leerlingen hoogopgeleiden zijn, maar àlle ouders van de kinderen in je klas moeten de tekst kunnen begrijpen. Er kunnen ook ouders zijn die niet goed Nederlands begrijpen of kunnen lezen. 

 

Meer tips vind je op: http://www.anysurfer.be/nl/in-de-praktijk/nog-toegankelijker/schrijf-klare-taal

 

Je kan hier verder of terug naar de andere aspecten van klare taal: