U bent hier

Basisvorming voor kinderen in Vlaanderen

De eindtermen

De overheid legt aan scholen minimumdoelen op, in het gewoon lager onderwijs zijn dat de eindtermen. Deze eindtermen zijn verdeeld in leergebieden en in leergebiedoverschrijdende thema's. Leergebieden in het gewoon lager onderwijs:

  • Frans
  • lichamelijke opvoeding
  • muzische vorming
  • Nederlands
  • wereldoriëntatie
  • wiskunde

Vanaf het schooljaar 2015-2016 verdwijnt het leergebied wereldoriëntatie en komen er twee andere voor in de plaats:

  • mens en maatschappij
  • wetenschappen en techniek

De eindtermen uit het leergebied wereldoriëntatie blijven dezefde en worden verdeeld over deze twee nieuwe leergebieden. 

Leergebiedoverschrijdende thema's in het lager onderwijs:

  • ict
  • leren leren
  • sociale vaardigheden

Wiskunde

De eindtermen van het leergebied wiskunde zijn in het lager onderwijs opgesplitst in vijf domeinen:

  • strategieën en probleemoplossende vaardigheden
  • attitudes
  • meten
  • meetkunde
  • getallen

Hier vind je meer informatie over de eindtermen van het gewoon lager onderwijs.

Een maatschappelijke taak

De eindtermen werden goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Daarin zitten vertegenwoordigers van de mensen in Vlaanderen, zij werden verkozen om de decreten (dat zijn wetten in Vlaanderen) te maken. De eindtermen zijn dus belangrijk voor alle scholen die betaald worden door de Vlaamse overheid, dit zijn de meeste scholen in Vlaanderen. Alleen privé-scholen krijgen geen geld van de overheid, en dat zijn er erg weinig in Vlaanderen. 

Vlaanderen doet veel inspanningen om ervoor te zorgen dat alle kinderen goed onderwijs krijgen. In de eerste plaats betaalt Vlaanderen de leerkrachten op de scholen, en daarnaast krijgen scholen ook werkingsmiddelen, geld om hun maatschappelijke taak goed uit te voeren. De overheid vraagt ook veel van de scholen voor al dat geld: dat de leerkrachten de leerlingen aanleren wat ze moeten leren, dat de school voor de kinderen een veilige omgeving is, dat leerkrachten zich geregeld bijscholen, ...

Controle

De overheid controleert dat allemaal: dat is redelijk als je ziet hoeveel geld er naar het onderwijs gaat. Die controle is de taak van de inspectie. 

De overheid wil niet dat scholen wachten tot de inspectie langskomt om te kijken of alles in orde is, zij wil dat scholen zelf letten op de kwaliteit van het onderwijs. Daar helpt de overheid scholen ook bij: dit doet ze door de jaarlijkse organisatie van peilingen over een deel van de eindtermen bij leerlingen op het einde van de lagere school. 

Sociaaleconomische situatie van de leerlingen

Er zijn scholen waar weinig leerlingen de eindtermen bereiken, maar dat betekent niet altijd dat de scholen slecht gewerkt hebben. Als veel leerlingen van de school met hun ouders nooit uitstapjes maken naar musea of naar de bibliotheek, als de ouders de kinderen niet kunnen helpen met huiswerk en moeite hebben om elke dag een warme maaltijd te koken, als de ouders weinig praten met de kinderen, als de ouders zelf geen Nederlands spreken, als de kinderen opgroeien in een instelling in plaats van bij de ouders, ... dan is de kans groot dat deze kinderen het op school minder goed doen dan kinderen waarvan de ouders het anders kunnen aanpakken. 

Periodieke peilingen

Elk jaar organiseert de overheid een peiling in het basisonderwijs. Dat is een grootschalig wetenschappelijk onderzoek om na te gaan of de leerlingen op het einde van het basisonderwijs de eindtermen beheersen. Zo'n peiling heeft geen enkel gevolg voor de leerling of voor de school, maar de overheid geeft wel de globale resultaten aan de scholen. Een peiling is dus geen toets voor de leerlingen of voor de scholen, en de meeste scholen nemen dan ook graag deel aan een peiling. Zo weten scholen of ze goed bezig zijn. 

In de resultaten staat welk percentage van de leerlingen in het zesde leerjaar de getoetste eindtermen bereikte, en vergelijken de onderzoekers dat percentage met andere scholen waar de leerlingen een vergelijkbare sociaaleconomische achtergrond hebben. Het is immers alleen zinvol om een school te vergelijken met scholen die in vergelijkbare omstandigheden werken. Bij elke peiling is er daarom een achtergrondvragenlijst waarin de onderzoekers de situatie van de leerlingen proberen in kaart te brengen. 

Hier vind je meer informatie over peilingen.

Paralleltoetsen

Veel scholen willen wel graag weten of ze goed bezig zijn, maar niet al die scholen kunnen meedoen aan een peiling. Een peiling is een wetenschappelijk onderzoek waarvan de steekproef (dat zijn de scholen die deelnemen aan het onderzoek) representatief moet zijn voor het hele Vlaamse onderwijs. Als scholen niet in de steekproef zitten kunnen ze een jaar later de paralleltoetsen afnemen bij hun leerlingen. Die toetsen dezelfde eindtermen als de peilingsproeven, en de resultaten worden verwerkt zoals die van de peilingen. Enkele maanden later krijgen deze scholen hun resultaten zoals de scholen uit de peiling die daarvoor ook kregen. 

Hier vind je meer informatie over de paralleltoetsen

Naast peilingen door de overheid, bieden de onderwijskoepels aan scholen ook instrumenten voor zelfevaluatie op het einde van het zesde leerjaar. 

Het Katholiek Onderwijs Vlaanderen biedt aan haar scholen interdioscesane proeven.

Het OVSG biedt de OVSG-toetsen aan. Veel scholen van het GO nemen bij hun leerlingen ook de OVSG-toetsen af.